Het Gregoriaans - een korte geschiedenis

Het gregoriaanse repertoire werd voor het eerst vastgelegd onder Pippijn de Korte en Karel de Grote, als machtsmiddel om eenheid in het Karolingische rijk te bewerkstelligen. Om het repertoire een groter aanzien te verlenen werd het toegeschreven aan paus Gregorius de Grote (ca. 540-604) die mogelijk een rol heeft gespeeld in de ordening van de zangteksten, maar met de feitelijke muziek vermoedelijk niets te maken heeft gehad. Sinds de Karolingen is het repertoire voortdurend gekopieerd, zodat er nu nog honderden handschriften bewaard zijn gebleven uit de 9e tot en met 12e eeuw met daarin zo'n 10.000 gezangen.

Daarmee lag de muziek grotendeels vast, maar de muzieknotatie was niet eenduidig en daarom voortdurend in ontwikkeling totdat er in de 19e eeuw niets meer aan het toeval werd overgelaten. Het muziekschrift heeft een nauwelijks te overschatten invloed gehad op het verdere verloop van de westerse muziekgeschiedenis. Het heeft mede nieuwe muzikale ontwikkelingen als polyfonie en harmonie mogelijk gemaakt, die in de Renaissance dermate dominant werden dat zelfs het gregoriaans drastisch werd herzien.

De vitale oorsprong van het gregoriaans gaat aan vele schisma's vooraf. Om te beginnen dat tussen katholieken en protestanten in de 16e eeuw. Vervolgens dat tussen westerse en oosterse christenen dat sinds de 11e eeuw definitief schijnt te zijn. Bovendien - niet onbelangrijk - dat tussen christenen en islamieten. (Deze beschrijving werd overgenomen van de website van Geert Maessen: www.gregoriana.nl)

Het belangrijkste schisma echter is wellicht dat tussen muzieknotatie en mondelinge traditie. Het gregoriaans is tot stand gekomen tussen Constantijn de Grote (273-337) en Karel de Grote (742-814); dat wil zeggen dat het minstens een mondelinge traditie van vier eeuwen (!) heeft gekend. Tevoren bestonden er verschillende andere zangwijzen in West-Europa, waaronder Gallicaanse zang, het Oud-Romeins, het Ambrosiaans, het Beneventaans en de Mozarabische zang.

Het gregoriaans maakte in de 9e, 10e en 11e eeuw gebruik van een eigen notenschrift dat per land of landstreek verschilde; de daarbij gebruikte tekens worden neumen genoemd. Het huidige 'gregoriaanse muziekschrift' in de zogenaamde kwadraatnotatie is het gevolg van de evolutie van de neumentekens naar meer duidelijke toonhoogte-aanduiding.

Het Concilie van Trente (1545-1563) besloot tot een standaardisering van het gregoriaans, die resulteerde in de zogeheten Editio Medicea. Hierin was het gregoriaans nogal vereenvoudigd tot sterk bewerkt. In de praktijk werd die standaardisering maar beperkt doorgevoerd.

Vanuit de Abdij van Solesmes en op persoonlijk initiatief van Dom Prosper Guéranger is sinds het midden van de 19e eeuw gewerkt aan de herleving en restauratie van het gregoriaans, wat resulteerde in nieuwe muziekuitgaven en nog steeds voortgezet musicologisch onderzoek.

Over het Getijdengebed

Het getijdengebed zijn de gebeden die over de dag verspreid op een vast uur gezegd of gezongen worden door monniken, priesters en tegenwoordig soms ook door leken. Officieel heet dat het Officium Divinum, het 'Goddelijk of Heilig officie'. Kloosterlingen brengen hun leven volgens dat officie door. Ze zijn een invulling van de Bijbelse woorden: "Middernacht - tot úw lof wil ik opstaan, denkend aan uw rechtvaardig bestel." (Psalm 119, 62), "Dagelijks spreek ik uw lof - zeven malen." (Psalm 119, 164) en "Bidt zonder ophouden" (1 Tessalonicenzen 5, 17).

Psalmen

Het hart van het Officie vormen de honderdvijftig psalmen uit de Bijbel, die verspreid over de week worden gebeden. In sommige kloosters bidt men elke week alle 150 psalmen, in andere bidt men ze verspreid over twee weken. Verder kennen alle getijden een lezing uit de Bijbel en smeekgebeden.

Het dagofficie is onderverdeeld in acht gebedsuren. Drie van die uren waren al in de vroegchristelijke gemeenschappen bekend. Allereerst waren er de Metten. De term 'metten' komt van het Latijnse woord matutinus, wat 'in het vroege uur' betekent. De Metten werden inderdaad vroeg, namelijk in de vroege ochtend of zelfs nog in de nacht gebeden. De dageraad werd gevierd met de Lauden, letterlijk: 'lofzangen'. De vroegchristelijke gemeenschappen kenden verder een avonddienst, met het Latijnse woord voor 'avond' de 'Vespers' genoemd.

Kloosters

In het christelijke kloosterleven was behoefte aan een strikt gebedsritme om dag en nacht te structureren. De Metten, Lauden en Vespers werden daarom met andere gebedsuren aangevuld. Van de nieuwe gebedsuren werden de Priem en de Completen in het officie opgenomen.

Privé-gebed

Privé werd door veel christenen voor, op en na het middaguur gebeden. Ook dit drieledig middaggebed is, met de bijbehorende uren, bekend onder de namen van respectievelijk Terts, Sext en Noon, in het officie opgenomen.

Horae Canonicae

De Metten, Lauden, Vespers, Priem, Completen, Terts, Sext en Noon werden samengevoegd tot het officie. De acht gebedsuren werden tot verbindend richtsnoer voor de hele Kerk verklaard. Zo ontstonden de horae canonicae oftewel 'geregelde uren' van de Katholieke Kerk.

Over de Dominicanen in Den Haag

Omstreeks 1400 werd begonnen met de bouw van de Kloosterkerk. Een paar jaar later verrezen er achter de kerk kloosterkgebouwen, bestemd voor de Dominicaner monniken. Deze bedelorde predikte armoede en was afhankelijk van aalmoezen. De monniken bezaten geen landerijen of andere middelen om in hun onderhoud te voorzien. Ze moesten leven van wat zij aangeboden kregen. Deze zogenoemde 'bedelorden' kozen daarom de steden om zich te vestigen: daar woonden veel mensen bij elkaar. Ze konden in hun levensbehoeften voorzien door de bedelen, onderwijs te geven, zieken te verzorgen, en te prediken.

Margaretha van Kleef schonk in 1404 de voormalige woning van de familie Van Arkel en twee stukken land achter het klooster.

De 'Predikarenheren' zoals de Dominicanen vaak werden genoemd, werden vaak betrokken bij bestuurlijke zaken. De monniken op het Lange Voorhout bewaarden dan ook privileges, octrooien en brieven van de graven van Holland.

In 1420 werd het kerkje door brand verwoest. Er kwam een nieuwe veel grotere kerk, vooral omdat het geslacht Van Borssele en de Van Wassenaers daar eigen kapellen en praalgraven lieten bouwen. In 1436 werd Jacoba van Beieren bij gezet in het graf van haar vader in de Kloosterkerk. Helaas is niets over van deze graven, waarschijnlijk het gevolg van de Beeldenstorm.

De Kloosterkerk speelde een belangrijke rol voorafgaand aan de jaarmarkt. Er werd een mis gehouden waarna de processie volgde. Deken, kanunniken en gilden deden hieraan mee en het begin van de kermis werd ingeluid door de kerkklokken.

Deze beschrijving werd overgenomen van de website van het Museon).

Wie was Vincentius Ferrer?

Ter ere van de heiligverklaring van Vincent Ferre in 1455 werden heilige processies georganiseerd op het Lange Voorhout en de Vijverberg. Vanaf die tijd heette het klooster wel het Vincentiusklooster.

De eerste helft van de 16 eeuw beleefde het klooster haar grootste bloeiperiode. In 1540 werd het oppervlak van de kerk door aanleg van zijbeuk en vier kapellen meer dan verdubbeld.

Hij leefde van 1350 tot 1419. Al vroeg trad hij in bij de Dominicanen en werd rondtrekkend prediker(Frankrijk, Spanje, Zwitserland, Italië). Die tot de verbeelding sprak van mensen door zijn visioenen, charisma en zijn genezingen. Geleidelijk groeide zijn invloed als boeteprediker en denker. In 1396 verscheen zijn boek: "Tractaat over het geestelijk leven".

Hij hechtte aan stilte, soberheid, vasten mede ter willen van de medemens, die in de hectische tijden waarin hij leefde het onderspit dolven: armen, zieken, oorlogsslachtoffers. Bij uitstek was hij een maatschappelijk gerichte Dominicaan.

Rens Tienstra